Van de Congo tot Japan

Op het programma stond een lezing van Rogier van Vugt. Het onderwerp stond niet in het boekje vermeld en was daarom nog een verrassing. We wisten al dat Rogier heel bijzondere planten heeft. Dus die lezing zou ook wel iets bijzonders kunnen worden. De verwachtingen waren hoog gespannen. Hij had ook toegezegd de plantenbespreking te doen – dan zou de lezing misschien iets ingekort moeten worden om hem nog een beetje op adem te laten komen. Ondanks de kou waren er nog heel wat planten aangevoerd. Er waren weer hele mooie bij. Rogier kon zich helemaal uitleven.

Oncidium papilio: bijna geen enkele papilio die je ziet is er ook echt een. Meestal (in 80% van de gevallen) is het een kruizing. Om dit te controleren kun je de bloemstengel vlak onder de bloem betasten: de stengel moet papierdun zijn. Is de stengel rond, dan is het een Onc. kramerianum. Die lijkt op papilio, maar de bloem is wat uitbundiger en is gefranjerd. Onc. kramerianum groeit daarentegen veel trager. In de kas zijn deze soorten (alle Psychopsis-soorten) moeilijk te kweken, omdat ze erg rotgevoelig zijn. In de kas kun je niet zo precies water geven, waardoor veel planten wegrotten. Er zijn dan ook weinig kwekers die deze soorten aanbieden. Op de vensterbank zijn ze juist goed te kweken. Ze kunnen jarenlang (3-5 jaar) op dezelfde bloemstengel bloeien met om de maand een bloem, ook wel 2 bloemen - en zijtakken vormen. Als je dŪt resultaat weet te bereiken: een lust voor het oog.

Masdevallia caesia: hangende bladeren met grote purpurbruine bloemen. De plant hangt de hele zomer tot eind oktober in de tuin: in een struik (halfschaduw). ’s Winters verhuist hij naar de dakkapel en krijgt ook dan elke dag water. Herkomst: Colombia, 2000 m. hoogte. Een heel moeilijke plant en bovendien ‘geurend’.

Isabelia pulchella op blok: een sliert ronde bulbjes met bijna naaldvormige blaadjes; kleine, rode bloemetjes. Herkomst: vrij zuidelijke streken van BraziliŽ. Het kan daar streng vriezen ( -120), terwijl overdag de temperatuur weer snel oploopt tot 200. Deze plant staat ’s winters in een koele kamer. Wordt dan elke dag licht gesproeid; ’s zomers wordt hij dagelijks gedompeld.

Dendrobium leucocyanum (= wit-blauw). De bloemkleur is bijna turkoois. Een tamelijk makkelijk te kweken plant: warm of koud, kan allebei. Lastig te vermeerderen zelfbestuiving niet mogelijk is. Herkomst: Nw. Guinea.

Ancistrorynchus cephalotes zie je maar weinig. Een plant met een spannend verhaal: hij was gevonden in de Congo op een boomtak vol met planten, hangend boven een rivier die even verderop in het ravijn donderde. Altijd vochtig dus. Meegenomen (?) en in de tuin verder opgekweekt (?). Bij haastig vertrek uit de Congo vanwege oplopende spanningen ….. Deze plant meegenomen? Illegale pluk? De hele zaal hield de adem in. Nee toch niet; de kweker had deze plant wel ter plaatse gespot, maar dit exemplaar komt bij Klinge vandaan. Heeft nu drie (deels uitgebloeide) bloemhoofdjes van dicht opeen staande, kleine, witte bloemetjes. Groeit in de serre en krijgt altijd water. De vele jonge scheuten deden de vraag rijzen: kun je die er al afhalen? Pas op het moment dat ze zelf wortels hebben. Om de groei te bevorderen kun je Superthrive gebruiken: een hormoonpreparaat (1 ml op 4 liter water). Dit middel is in Nederland nergens te koop (alleen in Growshops?). Let op: er wordt ook Superdrive aangeboden; dat is nep.

Jumellea sagittata: nog een Afrikaan. De soort komt uit Madagascar. Witte bloemen met een lange spoor; geurt ’s avonds. Wordt elke dag geneveld (gesproeid moet ik eigenlijk zeggen). Staat op een kamer op het westen die ’s zomers behoorlijk warm kan worden en ’s winters koel blijft (10-120).

Een fantastische plant is Maxillaria picta die in de hele zaal te ruiken is. De Boskoopse lucht heeft weer wonderen verricht. Stond eerst in de vensterbank, maar na verhuizing naar de kas bloeit ie veel rijker; ook op oude bulben. Herkomst: BraziliŽ. Kan beter droge lucht verdragen dan andere Maxillaria soorten en is daardoor geschikt voor de vensterbank. Krijgt veel water, alleen na de bloei enige tijd wat droger houden.

Een andere Boskoopse plant is een SC-kruizing met bloed van Encyclia vitellina. Een mooie kruizing: de rode kleur en de bloemvorm van Enc. vitellina zijn behouden gebleven. Deze wordt iets koeler gekweekt dan de Max. picta (8-90 ‘s nachts).

Verder was er een Calantha (vestita?) kruizing. Calanthes worden in 2 groepen ingedeeld: bladhoudende met vrijwel geen bulb en bladverliezende met bulb. De laatste groep wordt ’s winters droger gehouden. Tijdens de groei veel water geven.

Een weinig opvallende soort is Oecioglades roseavariegata: een aardorchidee met rossig gevlekte schutbladeren die laag, bijna plat over de grond groeien. Zij is daardoor minder goed zichtbaar voor planteneters (en voor ontdekkingsreizigers: er worden nog steeds nieuwe soorten ontdekt die tot nog toe over het hoofd zijn gezien). De kleine, wittige bloemetjes staan verspreid langs een lange bloemstengel. De soort is afkomstig uit een vrij droge streek in Madagascar. Geschikt voor kweek in de vensterbank. Tussen de watergiften door droog houden; niet verpotten. Verwant aan Eulophia familie.

Nog een aardorchidee: Habenaria arenaria: in zand (arena) groeiend. Habenaria is een tamelijk groot geslacht (ca. 800 soorten). Deze soort heeft zilvergestreept blad. Habenaria carnea (vleeskleurig) valt op door de grote bloemen en mooi, gestippeld blad. Voor cultuuraanwijzigingen: zie het laatste nummer van OrchideeŽn.

Phalaenopsis Liodoro is een kruizing waarin ook Ph. violacea zit. Dit is een heel geslaagde kruizing: zij heeft de appelgeur van Ph. violacea behouden. Maar ook het geringe aantal bloemen. Op de veiling is er daarom weinig vraag naar: daar wordt vooral veel en groot gewaardeerd. Er zijn dan ook nog maar weinig kwekers die hem aanbieden. Dit exemplaar heeft meerdere takken en hij bloeit door: geen stengels afknippen dus.

Bulbophyllum lepidum: ik heb verder geen Bulbophyllums, maar deze heb ik gekregen. Het is waarschijnlijk geen lepidum, maar een aemulum. Dat kan de pret niet drukken: een klein handje met zuiver gele bloemetjes. B. aemulum heeft heel variabele bloemen: naast geel ook wit, paars, bruin, gestippeld – de bloemvorm is altijd hetzelfde. De plant is opgepot in uitsluitend sphagnum en staat regelmatig met z’n voeten in een laagje water. In de vensterbank, op het zuiden achter vitrage.

Een charmant plantje is Tolumnia Chentina (?), een Oncidium kruizing uit de Cariben. Vraagt veel licht en luchtbeweging. Deze hangt ’s zomers buiten. Bevalt hem prima zo te zien.

Sommige leden hebben veel succes met planten aan het infuus te leggen: via een druppelaar krijgen ze dagelijks 1 minuut vocht toegediend. Verder elke 2 weken mest. De Potinara en nog een andere Cattleya-kruizing doen het uitstekend.

Dendrobium cassiope is een natuurkruizing tussen D. moniliforme en D. nobile. Vanaf mei tot half november buiten houden. D. delicatum: nu al in bloei? Heeft heel donker blad: lijkt wel of ie met bier is gepoetst: geeft hetzelfde effect.

Masdevallia tovarensis met witte bloemen: gematigd\koel gekweekt in de kas, kan ook in de vensterbank. Houdt hem niet te nat: laat hem tussendoor opdrogen. Laat de uitgebloeide bloemstengels zitten: die kunnen volgend jaar opnieuw bloeien.

Verder zijn we getuige van een gelukkige familiehereniging: door verschillende leden is een Oncidium ornithorynchum, een Onc. cheirophorum en een Onc.Twinkle meegebracht: de eerste twee zijn de ouders van de laatste. Twinkle heeft de kleur en geur van ornithorynchum en de volle bloempluim van cheirophorum. Onc. cheirophorum (met felgele bloemetjes) herken je aan de stippeltjes op de bulbe. Wees gewaarschuwd: hij kan soms zomaar in elkaar storten.

Tenslotte waren er enkele paphen: o.a. Paph. insigne en een gestresste plant: steeds kleiner blad, doffe kleur. Remedie: rust geven, niet verpotten – en dan maar hopen dat hij weer opknapt. Paphen houden van kleine potten – net zoals Dendrobiums e.a.

Tenslotte wil ik je een recept van Peter vT. niet onthouden. Ik heb een Paphiopedilum die regelmatig besmet is met wolluis. Biologisch spuiten en een gifpil in de potgrond (voor langduriger effect) helpt even, maar niet definitief. Volgens Peter blijven ze zelfs in de gordijnen zitten en besmetten van daaruit de plant opnieuw. Je komt er dus niet meer vanaf. Het – misschien afdoende - recept: men neme pruimtabak en maak daar een aftreksel van (thee). Plant hiermee bespuiten. Wees zeer voorzichtig: de nicotine is bij contact levensgevaarlijk: niet met je handen aankomen. In de kwekerij is het middel verboden. Herhaling blijft waarschijnlijk noodzakelijk.

Tot zover was iedereen al boven mate tevreden. De plantenbespreking was eigenlijk al een halve lezing, dus de middag kon bijna niet meer stuk. Rogiers’ stem haperde ook nog geen enkel moment en na een korte onderbreking mocht hij door gaan met de lezing. Die ging over Japan: het eerste deel over planten die hij tijdens wandelingen door de bergen zag en iets over de Japanse cultuur – en het tweede deel over de wijze waarop ze in Japan gekweekt worden door liefhebbers en professionele kwekers. Wat is meer Japans dan een bonsai vol met orchideeŽn (Oberronia)? Of: kostbare planten buiten de poort opgehangen aan de buitenmuur. Een Kring met uitsluitend 1 soort (in allerlei varianten; bij voorkeur zonder bloem): alleen maar Neofenetia falcata. Rogier liet enkele soorten zien die het heel misschien ook in Nederland uit zouden kunnen houden: epifieten uit de bergen (winterhard, koele zomers): Thrixspermum japonicum en Gastrochilus matsuran; aardorchideeŽn: Calanthe reflexa en C. tricarinata; in het laagland: Calanthe discolor, C. citrina x bicolor en Cymbidium goeringii. De laatste was overal afgebeeld in de ijzeren putdeksels van het stadje waar hij verbleef. Kortom: een prachtig verhaal.